_INGLESEANTICO
_OLANDESE
a
eenmaal. eens. ooit. wel eens
abbod
abt
abbudisse
abdis
abelgan
boos. kwaad. toornig. nijdig. verstoord. vertoornd
abeodan
aandienen. aankondigen. adverteren. melden. verkondigen. aanbrengen. melden. overbrengen. verslaan. verslag uitbrengen
abidan
afhalen. wachten. te wachten staan. verbeiden. verwachten
ablawan
blazen. waaien
ablendan
blind maken. verblinden
ablinnan
aflaten. ophouden. stoppen. uitscheiden. wijken
aborgian
lenen. uitlenen. voorschieten. lenen
abrecan
innemen. vermeesteren. zich meester maken van. bestormen. bestormen
abregdan
trekken. uit de schede trekken
abreotan
vernielen. vernietigen. verwoesten. doden. doodmaken. ombrengen
abreoan
falen. misgaan. mislukken. sjezen. stralen. stranden. zakken
abutan
om. om ... heen. omtrent. ongeveer. rondom
abysgian
bekleden. beslaan. bezetten. bezig houden. in beslag nemen
ac
doch. echter. maar
acan
pijn doen. zeer doen
acennan
baren. bevallen. het leven schenken. teweegbrengen. voortbrengen
acennednes
geboorte
aceorfan
afhakken. afhouwen. afkappen. omhakken
acierran
draaien. ronddraaien. zich keren. zich wentelen. zwenken. zwieren
acus
bijl. hakbijl
acweccan
schokken. schudden. opschudden. wrikken. hobbelen. horten. schudden. stoten. beven. bibberen. huiveren. rillen. trillen
acwelan
doodgaan. overlijden. sterven. verscheiden. versmachten
acwellan
doden. doodmaken. ombrengen
acwencan
blussen. doven. uitblussen. uitdoen. uitdoven. uitmaken
acwean
spreken. praten
acwielman
doden. doodmaken. ombrengen
acyan
aankondigen. in kennis stellen. meedelen. mededelen. verwittigen
adesa
dissel
adilegian
vernielen. vernietigen. verwoesten
adilgian
vernielen. vernietigen. verwoesten
adl
aandoening. kwaal. ziekte
adlig
naar. ziek
adon
leggen. steken. plaatsen. stellen. stoppen. zetten. doen
adrfan
drijven. aandrijven. opjagen. voortdrijven
adreogan
overtrekken. passeren. voorbijgaan. voorbijstreven
adrifan
uitdrijven. verdrijven. verjagen. wegdrijven. wegjagen
adwscan
blussen. doven. uitblussen. uitdoen. uitdoven. uitmaken

wet
bre
open. openbaar. openlijk. publiek. ruchtbaar
aebbian
ebben. terugvloeien
c
eveneens. evenzeer. mede. ook
ce
pijn. wee. zeer
cer
akker
cern
vrucht
cus
bijl. hakbijl
fst
devoot. godsdienstig. godvrezend. vroom
fstnes
devotie. godsdienstigheid. vroomheid
fnan
bereiken. behalen. inhalen. reiken tot. treffen
fre
altijd. immer. steeds
ftan
achter. aan de achterkant. achteraan. achterin
ftar
achter
ften
avond
ftenn
avond
fter
aan. achter. na. na verloop van. over
fterfylgan
achtervolgen. najagen. vervolgen
fterfylgend
opvolger. opvolger
ftergenga
opvolger. opvolger
fterra
tweede
ftersona
nogmaals. opnieuw. van voren af aan. wederom. weer. alweer. nogmaals. van voren af aan. weder. wederom. weer. alweer
fter am
achteraf. daarna. dan. naderhand. vervolgens
fter am e
nadat
fanca
wrok. haatdragendheid. wrok. haatdragendheid. rancune. wraakgierigheid. wraakzucht. wrok
g
ei
gen
eigen
ghwr
allerwegen. alom. overal. wijd en zijd
ghws
compleet. heel. geheel. totaal. totaliter. volkomen. volledig. finaal. heel. geheel. helemaal. totaal. volkomen. volledig
ghwer
allebei. alle twee de. beide
ghwider
overal heen
gift
restituering. terugbetaling. vergelding. wedervergelding
ger
allebei. alle twee de. beide
ht
bezit. bezitting. eigendom. goed. vermogen. bezit
l
aal. paling
led
vuur
lf
elf. luchtgeest
lfred
Alfred
lfremede
buitenlands. uitheems. buitenlands. onwennig. vreemd
llmhtig
almachtig
lmsse
aalmoes
lmeahtig
almachtig
lmehtig
almachtig
lmesgeorn
filantropisch
lmesgiefu
filantropie. liefdadigheid
lmihtig
almachtig
metig
leeg. onbezet. open. vrij
mette
mier
mtig
leeg. onbezet. open. vrij
mynde
vergeetachtigheid
nig
ook maar iets. wat dan ook. welke ... dan ook. wie dan ook
nlic
excellent. kostelijk. tiptop. tof. uitmuntend. voortreffelijk. enig. uniek
ppel
appel
ps
esp. ratelpopulier
r
voor. daarvoor. eerder. indertijd. vooraan. voorheen. vroeger. weleer. alras. dra. gauw. haast. spoedig. weldra. welhaast
rcebiscop
aartsbisschop
rdg
aanbreken van de dag. dageraad. ochtendgloren
renddraca
boodschapper
rende
bericht. boodschap
rendgewrit
brief. epistel. missive. schrijven
rendraca
boodschapper
rendwreca
boodschapper
rgod
excellent. kostelijk. tiptop. tof. uitmuntend. voortreffelijk
rist
opwekken
rnan
rijden
rs
aars. anus
r m e
alvorens. alvorens te. eer. aleer. voor. vooraleer
r on
binnen. tot. totdat
r on e
alvorens. alvorens te. eer. aleer. voor. vooraleer
sc
es
sce
as
spe
esp. ratelpopulier
tiewan
laten zien. tentoonspreiden. tonen. vertonen. wijzen. uitwijzen
tsamne
aaneen. bijeen. ineen. samen. tezamen
tsittan
blijven. overblijven. resten. resteren. toeven. verblijven
ele
adellijk. edel
eling
prins. vorst
w
wet
x
bijl. hakbijl
afran
bang maken. beangstigen. verschrikken. vrees aanjagen
agan
bezitten. erop nahouden. rijk zijn
agen
eigen
ahreddan
behouden. bergen. redden
alleluia
alleluja. halleluja
allmectig
almachtig
almahtig
almachtig
alor
els. elzeboom
altare
altaar
an
een
ancleow
enkel
and
en
andleofen
eten. etenswaar. gerecht. spijs. kost. voeder. voeding. voedingsmiddel. voedsel. voer
andswarian
antwoorden. antwoorden op. beantwoorden. verantwoorden
andswaru
antwoord. bescheid. wederwoord
andswerian
antwoorden. antwoorden op. beantwoorden. verantwoorden
anga
angel. pen. prikkel. stekel
angel
angel. vishaak. haak
Angelcynn
Engeland. Engeland
Anlaf
Olaf
annes
eendracht. eenheid. samenhang
ansien
aanblik. aanzien. air. schijn. uiterlijk. verschijning. voorkomen. gelaat. gezicht. aangezicht. toet
apa
aap
apostol
apostel. voorvechter
ar
eer. eerbewijs. hulde
arcebiscop
aartsbisschop
ascian
vragen
asendan
doen toekomen. sturen. opsturen. zenden. opzenden. verzenden
asettan
leggen. steken. plaatsen. stellen. stoppen. zetten. doen
asmeagan
beschouwen. nagaan. overwegen. rekening houden met
assa
ezel
atimbran
aanleggen. bouwen. construeren
a
bezwering. eed
awerian
opkomen voor. verdedigen. verweren
awiht
iets. wat
bacan
bakken
baian
baden. in bad doen
bc
rug
b
bad
ban
been. bot. knok. schonk
bat
boot. schuit
be
blijkens. ingevolge. langs. naar. volgens. op. aan. aangaande. betreffende. met. over. van
beacn
baak. baken
beftan
achter. aan de achterkant. achteraan. achterin
beam
boom
bean
boon. tuinboon. veldboon
beard
baard
bebyrgan
begraven. kuilen. begraven. ter aarde bestellen
bece
beuk
becn
baak. baken
becuman
gebeuren. toegaan. voortgang hebben. worden. aan de hand zijn. gebeuren. geschieden. voorkomen. voorvallen
bed
bed. legerstede. sponde
bedd
bed. legerstede. sponde
befer
bever
beforan
voor
begen
allebei. alle twee de. beide
beginnan
aanbinden. aanvangen. beginnen
behat
belofte. toezegging. uitloving
behatan
beloven. toezeggen. uitloven. verzeggen
behindan
achter. aan de achterkant. achteraan. achterin
beliefan
geloven. houden voor. menen
belifan
blijven. overblijven. resten. resteren. toeven. verblijven
bellan
blren. brullen. bulderen. gillen. uitbrullen
benc
bank
Benedictus
Benedictus
beo
bij. honingbij
beod
tafel
beofor
bever
beor
bier
beorg
berg
beorh
berg
beorht
briljant. glanzend. lumineus. schitterend
bera
beer
beran
brengen. dragen. voeren. voorhebben
berht
briljant. glanzend. lumineus. schitterend
berie
bes
bete
beetwortel. biet. kroot. mangelwortel
Bethleem
Bethlehem
betweonan
onder. tussen
betweonum
onder. tussen
bicce
teef. vrouwtjeshond
bidan
afhalen. wachten. te wachten staan. verbeiden. verwachten
biddan
inroepen. verzoeken. vragen. aanvragen
bile
bek. neb. snater. snavel. tuit. vogelbek
bill
zwaard. slagzwaard. bijl. hakbijl
bindan
aansluiten. binden. vastbinden. vastmaken. verbinden
bio
bij. honingbij
birce
berk. berkeboom
biscop
bisschop
bitan
beitsen. bijten. happen. knauwen
bitela
kever. schildvleugelige. tor. kever. tor
biwist
eten. etenswaar. gerecht. spijs. kost. voeder. voeding. voedingsmiddel. voedsel. voer
blac
zwart. bleek. flets. pips. vaal
blc
zwart
bld
blad. vel
blddre
blaas
bldre
blaas
blawan
blazen. waaien
bledan
bloeden
bletsian
wijden. zegenen. inzegenen
bletsung
zegen. zegening
blew
blauw
blie
blij. verblijd. verheugd
blind
blind
bliss
blijdschap. blijheid. verheugenis. verheuging. vreugde
blod
bloed
blu
blauw
boc
boek
bodian
aandienen. aankondigen. adverteren. melden. verkondigen
boece
beuk
boga
boog. toog
borian
boren
bosom
boezem. schoot
botm
bodem. grond. achtergrond. ondergrond
box
buksboom. buxus. palmboompje. palmstruik. doos. slof
braccan
varen
brad
breed. wijd
br
adem
brdu
breedte. ruimheid. wijdte. baan. breedte
brgen
brein. hersenen. hersens
brgn
brein. hersenen. hersens
bread
brood. mik
brecan
breken. afbreken. doorbreken. schenden. stukbreken. verbreken
brembel
braam
bremel
braam
brengan
aandragen. bezorgen. brengen. aanbrengen
breost
boezem. borst
breowan
brouwen. bierbrouwen
Breten
Brittanni. Groot-Brittanni
bridd
kuiken
bringan
aandragen. bezorgen. brengen. aanbrengen
broc
beek. kreek. vliet. wetering
broor
broer. broeder
brom
brem
bru
wenkbrauw
brun
bruin
bryd
bruid. meisje. verloofde. bruid. jonggehuwde
brydguma
bruidegom. galant. verloofde. bruidegom. jonggehuwde
buan
gevestigd zijn. huizen. resideren. wonen
buc
mannetjeshert
bucca
bok. geitebok
burg
fort. sterkte. verschansing. versterking. plaats. stad
burh
fort. sterkte. verschansing. versterking. plaats. stad
buta
allebei. alle twee de. beide
butan
buiten. buiten. daarbuiten. uiterlijk. gespeend van. ontbloot van. verstoken van. zonder. zonder te
butere
boter
buton
buiten. buiten. daarbuiten. uiterlijk. gespeend van. ontbloot van. verstoken van. zonder. zonder te
butu
allebei. alle twee de. beide
byre
barak. keet. loods. schuur. hut. stulp
byrgan
begraven. kuilen. begraven. ter aarde bestellen
byrgen
graf. groeve
camb
kam. kam. bergkam. hanekam
casere
keizer
caul
kool
cawel
kool
ceald
kil. koud. kil. koud. kil. koud
ceap
kudde. levende have. vee. veestapel. prijs
ceapstow
markt. marktplaats. marktplein
ceaster
plaats. stad
ceorfan
snerpen. snijden
ceorl
kerel. knul. persoon. snuiter. sujet. vent
ceosan
kiezen. uitkiezen. uitlezen. uitpikken. verkiezen. uitzoeken
ceowan
kauwen
ciepemann
handelaar. koopman. zakenman. handelaar. koopman. zakenman
cierr
keer. maal. gebeurtenis. gelegenheid. geval
ciese
kaas
ciest
bak. kist. schrijn
cinn
kin
cirice
bedehuis. kerk. kerkgebouw
cla
gewaad. kleding. kleed
clfre
klaver
clg
klei
clne
louter. puur. zuiver
clnsian
louteren. reinigen. schoonmaken. vegen. zuiveren
clafre
klaver
clawu
klauw
clea
klauw
cleofan
klieven. doorklieven. kloven. splijten
clerc
geestelijke
clif
clip. rots
climban
klauteren. klimmen
clipian
roepen
cnapa
jongen. knaap
cneo
knie
cniht
borst. jongeheer. jongeling
cocc
haan
col
kool. steenkool
colt
afstammeling. jong. kind. loot. nakomeling. spruit. telg
corn
korrel. pit. zaadkorrel
crabba
krab
crft
bekwaamheid. vermogen
crawe
kraai. bonte kraai. kraai. zwarte kraai
creopan
kruipen
cristen
christen
cu
koe
cudele
inktvis. sepia
cugele
capuchon. huik. kap. mantelkap. schuifdak
cugle
capuchon. huik. kap. mantelkap. schuifdak
cuma
gast. introduc. log
cunnan
kunnen
cuppe
kop. kopje
cursian
godlasteren. ketteren. vloeken. vervloeken
cweartern
gevangenis. kerker. nor. gevangenis. gevangenis
cwellan
doden. doodmaken. ombrengen
cwellere
beul
cwean
opgeven. zeggen. spreken. praten
cwic
levend
cynedom
koninkrijk
cynelic
koninklijk. vorstelijk
cyning
heer. koning. vorst
cynn
volk. ras
cyre
keur. keus. keuze. optie. verkiezing
cyssan
kussen. zoenen
cyte
hut. stulp
dd
daad. handeling. prestatie. verrichting
dg
dag
dges eage
madeliefje. meizoentje
dl
deel. gedeelte. onderdeel. Part. stuk. deel. gedeelte. onderdeel. stuk. dal. vallei
dlan
afbreken. delen. splitsen. opsplitsen. verdelen. indelen. verdelen
dagian
dagen. krieken
dah
beslag. deeg. pasta
dead
afgestorven. dood. overleden. ter ziele
dea
dood. overlijden. sterfgeval. verscheiden. versterf
deaf
doof
deagian
kleuren. verven
deaw
dauw
deman
berechten. oordelen. beoordelen. vonnissen
denn
hol. holte. uitholling. gat. hol. holte. kuil. put
denu
dal. vallei
deofol
boze. droes. drommel. duivel
deoful
boze. droes. drommel. duivel
deop
diep
deor
beest. dier. wild dier
deorc
donker. duister
diegelnes
geheim
diegol
geheim. heimelijk. verborgen. verstolen
disc
discus. plaat. grammofoonplaat. schijf
docga
hond
dohtor
dochter
don
maken. aanmaken. bedrijven. doen. uitbrengen. uitrichten. uitvoeren
drfan
drijven. aandrijven. opjagen. voortdrijven
drincan
drinken. gebruiken
druga
dorheid. droogheid. droogte. droogte
dryge
dor. droog
dumb
sprakeloos. stom
dun
heuvel
dunn
donker. somber
duru
deur. portier
dust
stof
dweorg
dwerg. dwerg. pygmee
dyn
herrie. lawaai. leven. ophef. rumoer
dyne
herrie. lawaai. leven. ophef. rumoer
ea
rivier. stroom
eac
eveneens. evenzeer. mede. ook
eage
kijker. oog
eagyrel
raam. venster
eahta
acht
eahtatiene
achttien
eald
bejaard. oud. vergevorderd. oud
ealdor
prins. vorst. aanvoerder. baas. chef. hoofd. opperhoofd
ealdormann
edelman
eall
finaal. heel. geheel. helemaal. totaal. volkomen. volledig
ealle
al de. alle. allemaal. allen
ealmst
bijna. bijkans. haast. schier. vrijwel. welhaast. zo goed als. zowat
ealu
aal
eard
land
eare
oor
earm
arm. arm. armelijk. armoedig. arm. beklagenswaardig. schamel
earnian
behalen. verdienen. winnen
earnung
beloning. loon. vergelding
east
oostwaarts. naar het oosten
eax
as. spil
eaxl
schouder
ebba
eb
ebreisc
Hebreeuws. joods
elboga
elleboog
elh
eland
elm
iep. olm
elnboga
elleboog
ende
afloop. besluit. eind. einde. slot. uiteinde. voleinding
endleofan
elf
engel
engel
eorl
edelman. aanvoerder. baas. chef. hoofd. opperhoofd
eore
aarde. aardrijk. bodem. grond. land
eowu
ooi
erian
ploegen. beploegen. omploegen
ewe
ooi
fder
vader
fdera
oom. oom. oom van vaderskant
fm
vaam. vadem
fger
fraai. mooi. knap. net. schoon
fgernes
fraaiheid. knapheid. schoonheid
fringa
ineens. opeens. plotseling
frlic
plotseling
frlice
ineens. opeens. plotseling
fsten
fort. sterkte. verschansing. versterking
ftt
dik. vet. vettig
fah
vijandelijk. vijandig
fam
schuim
fealdan
plooien. vouwen. omvouwen
feallan
vallen. afvallen. neervallen. verschieten
fearn
varen
fehtan
kampen. strijden. strijd voeren. vechten
fel
huid. vel
feld
land. veld
fell
huid. vel
fenn
broek. drasland. moer. moeras
feoh
kudde. levende have. vee. veestapel. geld. poen
feol
vijl
feond
vijand
feorr
heen. over. vandoor. verwijderd. voort. weg
feower
vier
feowertiene
veertien
feowertig
veertig
feran
gaan. lopen. van stapel lopen. verlopen. zich begeven. reizen
ferian
brengen. dragen. voeren. voorhebben
fierd
heerschaar. leger. legermacht. troepenmacht. weermacht
fierlen
ver. verwijderd. ververwijderd. afgelegen. ver. veraf. verafgelegen. verwijderd. ververwijderd
fierst
periode. tijdvak
fif
vijf
fiftig
vijftig
findan
vinden. bevinden. treffen. aantreffen
finger
vinger
finn
vin
fiond
vijand
fisc
vis
flsc
vlees. vlees
flasce
fles
flaxe
fles
fleah
vlo
flean
ontvellen. stropen. villen
fleax
vlas
fleogan
vliegen
fleoge
vlieg
fleon
de vlucht nemen. vleden. vluchten
flod
hoog water. vloed. vloed
flor
vloer
flota
vloot. vloot
flotian
dobberen. drijven. vlotten
flowan
lopen. stromen. vlieten. vloeien
flyge
vlieg
foda
eten. etenswaar. gerecht. spijs. kost. voeder. voeding. voedingsmiddel. voedsel. voer
fola
veulen
folc
heerschaar. leger. legermacht. troepenmacht. weermacht. volk
folgian
bewandelen. bijhouden. volgen. voortvloeien
for
voor. reis. tocht. toer. trip
foran
daarvoor. eerder. indertijd. vooraan. voorheen. vroeger. weleer
forbeodan
verbieden
forca
kruis. vork
fordon
vernielen. vernietigen. verwoesten
fordyttan
dichtdoen. dichtmaken. sluiten. toedoen
forgefan
begenadigen. vergeven
forgetan
afleren. vergeten. verleren
forspillan
opmaken. verdoen. verklungelen. verkwisten. vermorsen. verspillen
forst
vorst
for
naar voren. voorover. vooruit. voort. voorwaarts
for-wel
bijster. bijzonder. heel. erg. terdege. zeer
fostor
eten. etenswaar. gerecht. spijs. kost. voeder. voeding. voedingsmiddel. voedsel. voer
fox
vos
foxes glofa
vingerhoedskruid
fram
uit. van. op
freond
vriend
freosan
vriezen
Frigedg
vrijdag
fri
vrede
frocga
kikker. kikvors
frogga
kikker. kikvors
fruma
aanhef. aanvang. begin. intrede
fugol
vogel
ful
hoen. morsig. onrein. smerig. vies. vuil. vunzig. compleet. totaal. vol. volkomen. volledig
full
finaal. heel. geheel. helemaal. totaal. volkomen. volledig
fultum
heerschaar. leger. legermacht. troepenmacht. weermacht
fylgan
bewandelen. bijhouden. volgen. voortvloeien
fyllan
kappen. vellen. neervellen. wippen
fyr
vuur
fyrhto
angst
fyrhtu
angst
fyst
knuist. vuist
gaderian
collecteren. innen. inzamelen. oogsten. plukken. rapen. verzamelen
gdrian
collecteren. innen. inzamelen. oogsten. plukken. rapen. verzamelen
grs
gras
gst
gast. introduc. log
gt
poort
galga
galg
gan
gaan. lopen. van stapel lopen. verlopen. zich begeven. lopen
gandra
gander. mannetjesgans
gang
gang. loop
gangan
gaan. lopen. van stapel lopen. verlopen. zich begeven
ganra
gander. mannetjesgans
gar
lans. piek. speer. spies. spiets
gast
blinde. blinde bij kaarspel. geest. schim. spook. geest
gat
geit. bok. sik
ge
en
gea
ja. jawel
gealga
galg
gear
jaar
gearu
af. afgelopen. gereed. klaar
geat
poort
gebeorgan
behouden. bergen. bewaren. conserveren. onderhouden. overhouden
gebod
bevel. commando. decoratie. ereteken. orde. kloosterorde. ridderorde
gebyrt
geboorte
gecnawan
bekend zijn met. kennen
gecuman
komen
gedlan
distribueren. rondbrengen. verdelen. afbreken. delen. splitsen. opsplitsen. verdelen. indelen. verdelen
gedon
aandoen. aanrichten. stichten. teweegbrengen. veroorzaken
gedwola
abuis. fout. dwaling. vergissing
gefea
blijdschap. blijheid. verheugenis. verheuging. vreugde
gefeoht
gevecht. kamp. slag. strijd. treffen. veldslag
gefyllan
nakomen. naleven. uitvoeren. verrichten. vervullen. voltrekken
gegan
veroveren
gehrefan
dak. kap. overkapping
gehwr
allerwegen. alom. overal. wijd en zijd
gelaian
inviteren. noden. uitnodigen. vragen
geliefan
geloven. houden voor. menen
gelome
dikwijls. gedurig. menigmaal. vaak. veel. veelal. veeltijds
gelyfan
geloven. houden voor. menen
gena
nog
genemnan
heten. noemen. benoemen. uitmaken voor
genog
genoeg. voldoende
genoh
genoeg. voldoende
geong
jeugdig. jong. pril
geopenian
opendoen. openen. openmaken
gescieppan
creren. maken. scheppen
gesecgan
opgeven. zeggen
getimbran
aanleggen. bouwen. construeren
geoht
gedachte
geweorc
fort. sterkte. verschansing. versterking
gewinnan
behalen. verdienen. winnen
giefan
geven. aangeven. opbrengen. toebrengen. toekennen. verlenen
giest
gast. introduc. log
gif
als. indien. ingeval. wanneer
gift
cadeau. donatie. geschenk. gift. schenking
gld
briljant. glanzend. lumineus. schitterend. lustig. monter. vrolijk. blij. verblijd. verheugd
glr
amber
gls
glas
gleo
blijdschap. blijheid. verheugenis. verheuging. vreugde
glitian
blinken. glanzen. schijnen. schitteren
glitinian
blinken. glanzen. schijnen. schitteren
glof
handschoen
glowan
blaken. gloeien. in gloed staan
gntt
mug. steekmug
gnagan
knagen
gnyrran
knallen. knappen. kraken
god
goed. okee. god. godheid
gold
goud
gor
smeerboel. smeerlapperij. smurrie. viezigheid. vuil. vuiligheid
gos
gans
grg
grauw. grijs
grafan
graven. spitten. woelen
granian
kermen. zuchten
great
groot
grene
groen
grennian
grijnslachen. ginnegappen. grijnslachen. spotlachen
gretan
groeten. begroeten. afgaan. bezoeken. opzoeken
gripan
bemachtigen. grijpen. aangrijpen. vastgrijpen
gri
vrede
growan
gedijen. groeien. toenemen. wassen. aanwassen
grund
aarde. bodem. fond. grond. ondergrond. voedingsbodem
guma
man. manspersoon. vent
gyldan
vergulden
gylden
gouden. gulden
gylt
abuis. fout. dwaling. vergissing. schuld
habban
hebben. erop nahouden
h
heide. heideveld
hen
heidens
hfen
haven
hfene
haven
hgl
hagel
hlan
herstellen. maken. repareren. verhelpen. verstellen
hl
gezondheid
hnep
hennep
hr
haar
hrfest
herfst. najaar
hsel
hazelaar
ht
hoed
htan
verhitten. warmen. verwarmen
hto
hitte. smoorhitte
htu
hitte. smoorhitte
hen
afgodendienaar. heiden. paganist. heiden. paganist
hafoc
havik
hagol
hagel
halig
gewijd. heilig. geheiligd. sacraal
ham
tehuis. thuis
hamm
ham
hamweard
huiswaarts. naar huis
han
steen
hand
hand
hara
haas
has
hees. rauw. schor
hat
gloeiend. heet. smoorheet. snikheet
hatian
haten
he
hij. 'ie
heafoc
havik
heafod
hoofd
heah
hoog. verheven
heahu
hoogte. hoogte. stand
healdan
houden. bijhouden. vasthouden
healf
half
healm
halm. halm. steel. stengel. halm. spier. spriet. stengel
healt
hinkend. kreupel. mank
heap
boel. drom. hoop. massa. menigte. schare. stapel. tas. troep. massa. menigte
heard
hard
hearpe
harp
hecg
haag. heg. steg. haag. heg
hefig
drukkend. zwaar
hefon
hemel. lucht
heh
hoog. verheven
hel
hel
hela
onderbroek
helm
helm
helma
helmstok
help
assistentie. bijstand. heul. hulp. toedoen. toeverlaat
helpan
assisteren. bijstaan. helpen. ter zijde staan. baten. bijstaan. helpen. ter zijde staan
henep
hennep
hengest
paard. ros
henn
hen. kip
heo
zij. ze
heofon
hemel. lucht
heord
kudde. roedel
heor
haard. haardstede. open haard. stookplaats. vuurhaard
heorte
hart
her
haar
here
heerschaar. leger. legermacht. troepenmacht. weermacht
hete
haat
hider
hier. hierheen
hiehu
hoogte. hoogte. stand
hieldan
aflopen. buigen. hellen. overhellen. zich bukken
hig
hooi
hind
hinde
hiord
kudde. roedel
hlaf
brood. mik
hleapan
springen
hnesce
mals. murw. week. zacht
hoc
haak
hof
hoef
hol
hol. holte. uitholling. gat. hol. holte. kuil. put
holegn
hulst
holen
hulst
holh
hol. ingevallen
holt
bos. woud
hond
hand
hopa
hoop. uitzicht. verwachting
hors
paard. ros
hring
beugel. ring. wal
hrof
dak. kap. overkapping
hund
honderd. hond
hundnigontig
negentig
hungor
honger
hunig
honing
huntian
beetkrijgen. beetnemen. pakken. vangen. vastpakken. vatten
hus
huis. pand. hut. stulp
hvr
waar
hwere
echter. maar. niettemin. toch
hwre
echter. maar. niettemin. toch
hwit
blank. wit
hyd
huid. vel
hydan
ontveinzen. verbergen. verhelen. verschuilen. verstoppen
hyhtan
hopen
hyldan
aflopen. buigen. hellen. overhellen. zich bukken
hyll
heuvel
hype
heup
hyr
huur. huur. huurprijs
hyran
horen. vernemen. verstaan
hyrnet
horzel. schapenhorzel
ieg
eiland
iegland
eiland
iewan
laten zien. tentoonspreiden. tonen. vertonen. wijzen. uitwijzen
ig
eiland
in
aan. in. binnen. per. te. op
is
ijs
lamb
lam
land
land
lareow
instructeur. leraar. onderwijzer. schoolmeester
leaf
blad. vel
leas
bedrieglijk. dubbelhartig. loos. onecht. onwaar. vals. vervalst
leod
natie. volk
leodscipe
natie. volk
leoht
helder. licht. lichtend. licht. schijn. schijnsel. licht
lic
lichaam. lijf. romp
lichoma
lichaam. lijf. romp
lif
hachje. leven
lucan
dichtdoen. dichtmaken. sluiten. toedoen
lufian
beminnen. houden van. liefhebben
lufu
affectie. liefde. min
lus
luis
lytel
gering. karig. klein. luttel. min
macian
maken. aanmaken. bedrijven. doen. uitbrengen. uitrichten. uitvoeren
mgen
kracht. macht. sterkte
mg
familie. gezin. huis. huisgezin. stam. volksstam
mann
mens. man. manspersoon. vent
martyr
bloedgetuige. martelaar
mam
schat
med
beloning. loon. vergelding
meolc
melk
mere
kolk. vijver. waterplas
mete
eten. etenswaar. gerecht. spijs. kost. voeder. voeding. voedingsmiddel. voedsel. voer
midd
middelmaat. midden
middangeard
aardrijk. wereld
miht
kracht. macht. sterkte. heerschappij. macht. mogendheid
mil
mijl
milde
mild. zacht. zachtaardig. zachtmoedig. zachtzinnig. zoel
mist
damp. floers. mist. nevel
mod
geest. gemoed. ziel
modig
fier. prat. trots
modignes
trots
modor
moeder
mona
maan
mona
maand
morgen
morgen. ochtend
munuc
kloosterbroeder. monnik
mus
muis
mu
mond
nddre
slang. adder
ndre
slang. adder
nfre
nimmer. nooit
nama
benaming. naam. naamwoord
nearu
bekrompen. eng. krap. nauw. smal
nigon
negen
nigontiene
negentien
niht
nacht
nier
beneden. daarbeneden. onder. naar beneden. neerwaarts. omlaag
niwe
nieuw
noran
noordelijk. noords
nor
noordelijk. noords. noordwaarts
nosu
neus
nu
nou. nu. tegenwoordig. thans
nunne
kloosterzuster. non
nytt
bevorderlijk. dienstig. nuttig
ofer
aan. boven. over
oferwinnan
veroveren
ofstlice
gauw. hard. in allerijl. schielijk. snel. vlug
oft
dikwijls. gedurig. menigmaal. vaak. veel. veelal. veeltijds
ondrdan
bang zijn voor. duchten. schromen. terugschrikken voor. vrezen
onfon
genieten. krijgen. ontvangen. toucheren
onga
angel. pen. prikkel. stekel. pijl. scheut
ongean
jegens. met. tegen. tegenaan. tegenover. versus
onlutan
buigen. een buiging maken. nijgen
onmedla
luister. praal. pracht. vertoon
onsendan
doen toekomen. sturen. opsturen. zenden. opzenden. verzenden
onstal
provisie. voorraad. voorziening
ontendan
aanmaken. aansteken. doen ontbranden. ontsteken. stoken
ontynan
opendoen. openen. openmaken
onweg
heen. over. vandoor. verwijderd. voort. weg
open
open
oxa
os
papa
paus
plegian
spelen. uitvoeren. voorspelen
preost
priester
pund
pond
ranc
fier. prat. trots
reafere
rover
regn
regen
regnboga
regenboog
regol
regel
restan
rusten
rice
machtig. koninkrijk. gefortuneerd. rijk. vermogend
ridan
rijden
riht
rechter-. rechts. vandehands. billijkheid. gerechtigheid. rechtvaardigheid
rinan
regenen
rod
kruis
rum
kamer. lokaal. vertrek
s
zee
s-rima
kust. kustlijn. zeekant. zeekust
samod
aaneen. bijeen. ineen. samen. tezamen
sand
zand
sang
lied. zang. gezang
sar
pijn. wee. zeer
sarlic
deerlijk. pijnlijk. smartelijk. zeer
scaa
dief. steler
sceaa
dief. steler
sceap
schaap
sceotan
paffen. schieten. vuren
scieran
snerpen. snijden
scinan
blinken. glanzen. schijnen. schitteren
scip
boot. schip. vaartuig
scir
arrondissement. district. gouw. gewest. gouw. provincie. gebied. gewest. regio. streek. landstreek
scort
kort. kortstondig
scufan
douwen. dringen. duwen. stoten
sculan
horen. behoren. dienen. moeten. zullen
se
de. het. 't
sealm
psalm
semninga
ineens. opeens. plotseling
sendan
doen toekomen. sturen. opsturen. zenden. opzenden. verzenden
seoc
naar. ziek
seofon
zeven
seofontiene
zeventien
seon
zien
sibb
vrede
siex
zes
siextiene
zestien
siextig
zestig
silfren
zilver
simle
altijd. immer. steeds
sincan
zinken. inzinken. wegzakken
singan
zingen. bezingen
sittan
zitten
slp
slaap
slpan
maffen. slapen
slawyrm
hazelworm
snaw
sneeuw
so
echt. eigenlijk. heus. waar. waarachtig. waarheid
specan
spreken. praten
spere
lans. piek. speer. spies. spiets
sprc
taal
sprecan
spreken. praten
springan
springen
stf
letter
stan
steen
standan
staan
stede
lokaal. plaats. plek. oord. lokaliteit. oord. plaats. ruimte. zetel
stefn
inspraak. stem. stemgeluid
stelan
gappen. ontvreemden. stelen
steorra
ster
stierc
kalf
stol
stoel. zetel
storm
storm. stormwind
stow
lokaal. plaats. plek. oord. lokaliteit. oord. plaats. ruimte. zetel
stream
beek. kreek. vliet. wetering. rivier. stroom
streaw
stro
strengu
kracht. macht. sterkte
strong
fiks. geducht. krachtig. sterk. straf. zwaar
stycce
bonk. brok. eindje. homp. stukje
sumor
zomer. zomertijd
sunne
zon
sunu
zoon
swan
zwaan
swelce
als. als het ware. of alsof
swellan
opzetten. rijzen. uitdijen. zwellen. opzwellen
sweltan
doodgaan. overlijden. sterven. verscheiden. versmachten
sweora
hals. nek
sweord
zwaard. slagzwaard
swerian
een eed afleggen. zweren
swimman
drijven. zwemmen
swin
varken. zwijn
swingan
houwen. klappen. kloppen. slaan
swi
fiks. geducht. krachtig. sterk. straf. zwaar
syndrig
afgezonderd. afzonderlijk. bijzonder. los
syngian
zonde doen. zondigen
synn
zonde
ta
teen
tempel
bedehuis. godshuis. tempel
teoro
teer
tid
uur. poos. tijd
tien
tien
tierwe
teer
tima
poos. tijd
to
aan. bij. naar. tegen. tot. voor. op
todg
heden. vandaag
togdere
aaneen. bijeen. ineen. samen. tezamen
togdre
aaneen. bijeen. ineen. samen. tezamen
toweorpan
vernielen. vernietigen. verwoesten
treow
boom
tunge
tong
tungol
hemellichaam. ster. ster
twegen
twee
twelf
twaalf
twentig
twintig
ancian
danken. bedanken. dank betuigen. te danken hebben
eah
echter. maar. niettemin. toch
eah-hwere
echter. maar. niettemin. toch
earf
pr. voordeel
eaw
gebruik. gewoonte. usance
egen
bediende. dienaar. knecht
egn
bediende. dienaar. knecht
eod
volk
eodscipe
natie. volk
eof
dief. steler
eostru
donker. duister. duisternis
eow
bediende. dienaar. knecht
ider
daarheen
ing
ding. voorwerp. ding. mikpunt. object. onderwerp. voorwerp. lijdend voorwerp
reotiene
dertien
rie
drie
ritig
dertig
urfan
hoeven. behoeven. moeten. nodig hebben
usend
duizend
uncu
onbekend
under
beneden. onder
undergietan
begrijpen. beseffen. bevatten. snappen. vatten. verstaan
unrot
droef. bedroefd. droevig. treurig. verdrietig
wac
licht. zwak
wpen
wapen
wter
water
wamb
buik
wascan
de was doen. wassen. uitwassen. de was doen. logen. wassen
weall
muur. wand
weaxan
gedijen. groeien. toenemen. wassen. aanwassen
weg
pad. baan. route. weg
wel
goed. nu goed
wela
bloei. geluk. voorspoed. welstand. welvaart. welvarendheid
wenan
denken
weofod
altaar
weorc
daad. handeling. prestatie. verrichting. arbeid. emplooi. karwei. werk
weorpan
gooien. keilen. uitspelen. werpen
weor
gehalte. waarde
weoran
gebeuren. toegaan. voortgang hebben. worden. aan de hand zijn. gebeuren. geschieden. voorkomen. voorvallen
weormynd
eer. eerbewijs. hulde
weosend
oeros
wepan
huilen. krijten. schreien. wenen
wer
man. manspersoon. vent
werian
opkomen voor. verdedigen. verweren
werod
heerschaar. leger. legermacht. troepenmacht. weermacht. kracht. macht. sterkte
wician
gevestigd zijn. huizen. resideren. wonen
wicing
viking
wicu
week
wid
breed. wijd
widewe
weduwe
widuwe
weduwe
wielen
slavin
wiere
eerzaam. waar. waardig
wif
echtgenote. gemalin. vrouw. vrouw
wifmann
vrouw
wig
krijg. oorlog
wilde
wild. woest
willa
begeerte. lust. verlangen. wens. zin. zucht. wil. zin
willan
begeren. trek hebben in. verkiezen. verlangen. wensen. willen
win
wijn
wind
wind
winnan
kampen. strijden. strijd voeren. vechten
winter
winter
wisian
de weg wijzen. leiden. geleiden. rondleiden
witan
weten
wite
straf. bestraffing
witega
profeet. voorspeller. voorzegger. ziener
witodlice
bepaald. ongetwijfeld. vast. wel degelijk. zeker
wi
met. samen met
wlite
fraaiheid. knapheid. schoonheid
wlitig
fraai. mooi. knap. net. schoon
wod
dol. doldriftig. verwoed. woedend. woest
Woden
Wodan
wolcen
wolk. hemel. lucht
word
woord. bewoording
worig
plein. straat
woruld
aardrijk. wereld
writan
schrijven. neerschrijven. uitschrijven
writere
auteur. schrijver. stilist
wulf
wolf
wund
blessure. kwetsuur. wond. verwonding
wundian
kwetsen. wonden. verwonden
wundor
mirakel. wonder
wynn
blijdschap. blijheid. verheugenis. verheuging. vreugde
wyrdan
bederven. beschadigen. havenen. schenden. stukmaken. toetakelen
wyrm
slang. worm. wurm
wyrt
groente
yfel
beroerd. kwaad. kwalijk. slecht. verkeerd
ymbhwyrft
omgeving
ymbsettan
insluiten. omgeven. omringen
yrre
boos. kwaad. toornig. nijdig. verstoord. vertoornd